De devaluatie van de zorgverlener

Een verschil maken. Levens redden. Iemand begeleiden in de laatste levensfase. De wereld beter maken. Iets betekenen voor een ander. Het zijn enkele van talloze redenen die zorgprofessionals aanvoeren als je ze vraagt waarom ze voor hun vak hebben gekozen. Al deze redenen komen voort uit onbaatzuchtigheid, uit de drang om de ander te helpen: te willen zorgen. Als ik om me heen kijk zie ik overwegend professionals die dat goed kunnen. Die hun vak serieus nemen, die alles uit de kast halen voor optimale zorg, die volgens protocol werken zelfs als dat inhoudt dat ze hun pauze moeten inleveren omdat er meer werk is dan uren in een dienst, die blijven glimlachen bij de zoveelste reorganisatie, de zoveelste langdurig zieke collega. Ik zie professionals die een standbeeld verdienen omdat ze zo majestueus zorgen dat het er aan alle kanten vanaf druipt: zorgen is een vak apart.

Voor ons vak studeer je minimaal drie jaar. Soms vier of vijf, afhankelijk van je functie en je werkplek. Die jaren zijn nodig omdat je na je diplomering een grote verantwoording zal dragen: het leven en welzijn van hulpbehoevende mensen ligt in jouw handen. Wat jij doet of laat, heeft direct invloed op hoe de ander zich voelt. Of de ander beter wordt of niet. Of de ander gelukkig in slaap valt of niet. Of de ander vredig sterft. Of niet. Het is een zware last, die je mogelijk weet te dragen als je alle kennis tot je hebt genomen in de jaren voordat je diplomeerde. Waar je, naast alle theoretische kennis, ook een groot deel in de praktijk ervaring opdoet. Want dat is waar het gebeurt, dat is waar je het meeste leert. Voornamelijk van de ervaren zorgpro’s die meer weten dan welk boek dan ook. Sommigen kunnen de last niet (meer) dragen, en dat is ook oke. Weten waar jouw grens ligt is een zegen. Luister er goed naar.

Ondanks dat zorgen een vak apart is, lijkt een deel van de invloedrijke mensen binnen de zorg er een sport van te maken alle waarde van het zorgend vak onderuit te halen. Zo worden gastvrouwen, de dames (of heren) die met veel toewijding zorgen voor het culinaire onderdeel van het wonen in een instelling tegen hun zin in ‘opgeleid’ door middel van een stoomcursus waarna zij op niveau 3 kunnen functioneren. Niveau 3, de opleiding waar vele anderen drie jaar voor hebben gestudeerd. Uitzendbureau Aethon zet studenten in: 20-jarige eerstejaars die een studie doen die ‘aan de zorgverlening raakt’ en na een cursus van 1 dag (!) medicatie mogen delen en ‘kunnen worden ingezet op het niveau van een Verzorgende IG, behoudens de handelingen die zij nog niet hebben afgetekend in hun aftekenlijst’.

Het nijpende personeelstekort is een van de grotere zorgproblemen. En dat er in een poging dat op te lossen buiten de gebaande paden wordt getreden is ook bewonderenswaardig. Maar een noodgreep als zogenaamd gekwalificeerd personeel op deze manier inzetten is een quick-fix die in een poging zorgland te helpen door goedkoop gaten op te vullen de boel alleen maar verergert. Ons vak behelst zo veel meer dan alleen het delen van medicatie, dan slechts het uitvoeren van handelingen die je in een boekje kunt laten aftekenen. Leren om goed te kunnen zorgen kost tijd. Tijd om te ontwikkelen, te ontplooien, om te groeien. Zodat je weet waar je mee bezig bent en wat je te doen staat, ook als er dingen gebeuren die niet in een aftekenlijst te vinden zijn.

Door de gepassioneerde zorgverleners te devalueren door ze het misplaatste idee te geven dat ze vervangbaar zijn voor mensen die hetzelfde werk doen na een cursus van 1 dag (nogmaals: 1 dag!) raak je de gehele zorg in het hart. Als je deze groep mensen niet de waardering geeft die ze verdienen, haal je niet alleen alle motivatie onderuit maar ook hun intrinsieke wens om alle kennis zo gemotiveerd door te geven aan de leerlingen en stagiaires die nog volgen. Zonder zorgverleners is de zorg nergens. Voor het welzijn van de zorg: draag onze zorgverleners op handen, ze verdienen het.

Omgang agressie bij dementie

Jezelf opsluiten in een donkere gang omdat je achterna wordt gezeten door iemand die zegt jou kapot te schoppen, met de dood bedreigd worden omdat je op het verkeerde moment ergens loopt, een schop in je gezicht krijgen als je goedbedoeld bukt om iets op te rapen voor een ander, niet met je rug naar iemand toe durven staan uit angst aangevallen te worden, met gekneusde of gebroken ledematen thuis komen, het zijn allemaal situaties waar angst en geweld hand in hand gaan. Situaties waarvoor je bij de politie aangifte van mishandeling en bedreiging kan doen. Het zijn ook allemaal situaties die zorgverleners tegen komen in de zorg voor iemand met dementie. Huiselijk geweld, maar dan niet in jouw huis. En niet een enkele keer bij wijze van uitzondering, waarover je vandaag de dag lachend zegt: ‘Weet je nog, die keer dat mevrouw Jansen mij een blauw oog bezorgde in 1991?’. Voor sommige zorgprofessionals is agressie aan de orde van de dag, en is er geen sprake van geisoleerde incidenten. Zorgprofessionals voelen zich onveilig, machteloos, en falende: hoe moet je goede zorg verlenen als je daarmee jezelf in een gevaarlijke positie brengt? Wat kunnen wij als zorgprofessional doen in de omgang met agressie? En misschien nog belangrijker: kunnen wij iets doen om het te voorkomen?

Hoe te handelen bij verbale en/of fysieke agressie:.

  • Schat de ernst van de situatie in, en anticipeer zo snel mogelijk. Hiervoor is het zaak om de ander goed te kennen (een van de redenen dat ik pleit voor alleen vaste gezichten bij deze doelgroep). Ken je de ander niet goed (genoeg)? Haal er dan een collega bij voor wie dat wel geldt. Je kunt er vanuit gaan dat het niet de eerste keer is dat er agressie optreedt, en dat je het wiel niet opnieuw hoeft uit te vinden. Is er verbale agressie waarvan je weet dat dit weer afzwakt bij bijvoorbeeld bepaalde muziek? Als de wiedeweerga die muziek opzetten. Is er een medebewoner die als olie op het vuur werkt? Kijk of je ervoor kunt zorgen dat deze voorlopig niet in de buurt kan komen. Wees creatief!
  • Maak jezelf beschikbaar. Als jij merkt dat er agressie dreigt, stel je prioriteiten: nu is het zaak dat jij er bent voor de ander, dat jij de ander door deze situatie heen kan loodsen zodat het niet escaleert. Al het andere kan wachten (tenzij acute medische noodzaak, in dat geval raad ik je aan een collega erbij te halen voor de nodige ondersteuning). Zet je werktelefoon op de trilstand, zo merk jij wel wat er gebeurt maar de ander niet.
  • Hou je hoofd koel. Niemand is gebaat bij jouw paniek, dit kan over slaan op de ander. Keep it cool, like a pro.
  • Als een collega niet nodig is, dan liever niet. Meerdere mensen kunnen erg bedreigend overkomen en de ander nog bozer maken, dus als je het alleen afkan: graag. De grens ligt bij het welzijn van jou en anderen: als je inschat dat jullie veiligheid in gevaar komt is die versterking uiteraard van harte welkom. Net zoals de collega die altijd het beste in de ander naar boven haalt: ook hem/haar kun je nu goed gebruiken.
  • Probeer een prikkelarme omgeving op te zoeken, zodat er geen zaken/mensen zijn die jou kunnen afleiden. Dit kan de eigen kamer zijn, maar ook een andere plek waarvan je weet dat de ander zich er fijn/veilig voelt.
  • Benoem de emotie van de ander. Zeg dat je ziet of merkt dat hij/zij heel boos/verdrietig/geschrokken/etc is. Het erkennen van een heftige emotie kan soms al de angel er uit halen.
  • Ga op zoek naar de behoefte. Is dat rust? Nabijheid? Buitenlucht? Is er fysiek ongemak? Wil de ander iets eten? (Sommige mensen worden agressief van een laag bloedsuikergehalte..)
  • Benoem het gedrag van de ander, zonder dit te veroordelen. Vaak zijn mensen zich niet bewust van hun eigen gedrag. “Het doet mij pijn als u mij zo hard knijpt, laat mijn hand maar los” komt heel anders over dan “Wat gemeen dat u mij knijpt terwijl ik u wil helpen”. Als ik verward, onrustig en boos was zou ik in het tweede geval misschien wel harder gaan knijpen, omdat je ook nog een grote mond op zet tegen me. In het eerste geval doe je een beroep op mijn empathisch vermogen, en is de kans groter dat ik inderdaad los laat.
  • Eis niet dat de ander niet meer boos/verdrietig is. Elke emotie mag er zijn, altijd. Zeker met een ziektebeeld als dementie aan de oppervlakte. Het is aan ons om de ander hierin te begeleiden zodat er geen gewonden vallen als gevolg van deze emotie. Als de ander zijn woede fysiek wil uiten: kun je kussens geven om in te slaan? Knuffels om mee te gooien? Samen even heel hard gillen, helpt dat?
  • Wees je bewust van de omgeving van de ander. Dat wil zeggen: zorg ervoor dat er binnen handbereik geen gevaarlijke spullen liggen, als het even kan alleen zachte spullen die geen kwaad kunnen als ermee wordt gegooid. Dus even niet aan de koffietafel zitten waar net verse koffie staat, maar op de bank met kussens bijvoorbeeld.
  • Wees kritisch op je eigen verzoeken. Het is niet voor niets een van de speerpunten in Zacht Zorgen: als de ander heel erg boos wordt tijdens (bijvoorbeeld) de ochtendzorg: hoe belangrijk is die zorg elke ochtend dan? Kun je daarin met de ander mee bewegen, en je eigen opvattingen los laten? Kun je als team hierover in gesprek gaan en een middenweg zoeken tussen wat jullie noodzakelijk vinden voor de gezondheid van de ander en de wensen van de ander om zo de momenten van agressie tot een minimum te beperken?
  • Maak het bestrijden van agressief gedrag een team-effort. Je hoeft die last niet alleen te dragen, omdat jij toevallig altijd op de afdeling van die bewuste zorgvrager staat. Dit is iets wat het hele team aangaat, en dat het hele team hiervan goed op de hoogte is maakt het makkelijker de last te delen. Niet alleen kunnen ze mee denken, maar ook snel inspringen als je hulp wil, of zelfs de zorg verlenen als jij er de energie niet (meer) voor hebt. Weet iedereen hoe deze zorgvrager het liefst benaderd wordt? Staan de neuzen dezelfde kant op?
  • Rapporteer! Vul een MIC in, en rapporteer in het ECD. Tot in detail, zo uitgebreid dat je jezelf vermoeit. Maar geloof me, juist de details maken het verschil en alleen met goede rapportage kunnen jullie als team ontdekken wat wel en niet werkt. Aan de hand van uitgebreide rapportage kan er een benaderingsplan worden opgesteld. Vaak doet een psycholoog dat, ik ben er voorstander van dat teams dit zelf doen omdat jullie als team meer kennis en ervaring hebben met desbetreffende zorgvrager dan een psycholoog. Hulp inroepen van De ZorgSchrijver mag ook altijd.
  • Zorg voor je eigen veiligheid. Hij staat onderaan deze lijst, niet omdat hij niet belangrijk is maar omdat ik wil dat je ‘m goed onthoudt: zorg voor jezelf. Houd gepaste afstand wanneer je denkt dat het nodig is, roep hulp in als het je te veel wordt. Agressie is naar om mee te maken, zeker als het gaat om een afhankelijke relatie waarbij er een groot beroep op jouw geduld en deskundigheid wordt gedaan. Geef het gerust aan bij je team en/of leidinggevende als de agressie dusdanige vormen aanneemt dat jij niet meer prettig of veilig je werk kan doen. En mocht je helaas toch gewond raken: vul een MIM in, altijd.

Een werkveld waarin agressie niet voorkomt is niet haalbaar als het gaat om de zorg binnen de psychogeriatrie. Het is onlosmakelijk verbonden met het ziektebeeld, daar hebben wij geen invloed op. De frequentie en heftigheid is naar mijn idee wel iets waar winst te behalen valt, omdat een deel van de agressie voortkomt uit de benadering door anderen. Door ons, maar ook door artsen, paramedici, familieleden, of vrijwilligers. Het voorkomen van agressie vraagt een bepaalde manier van zorg verlenen: een basishouding richting de ander waarbij je in verbinding met de ander een goede band opbouwt. (Meer daarover vind je binnenkort ook hier.) Een goede band is geen toverstafje waarmee je elk mogelijk ‘probleemgedrag’ (dat staat tussen haakjes omdat ik het een bijzondere verzamelnaam vindt voor alles wat in de zorg als onprettig wordt gezien) weg tovert, maar het helpt je wel in elk contact wat je met de ander hebt. Uit ervaring weet ik dat het maken van verbinding zorgt voor minder onrust en meer geluk bij de ander, dat tezamen zorgt automatisch voor een afname van agressie en daarmee ook voor meer werkplezier voor jou. Zodat jij kunt doen waar je zo goed in bent: geweldig zorgen.

Als je baby sterft

‘Jullie baby leeft niet meer’, zei de verloskundige toen ik 29 weken zwanger was. En met die keiharde realiteit werd alles wat wij koesterden woest onderuit gehaald. Ons gezin, de drijfveer van ons bestaan, het was alles dat we zo goed trachten te beschermen en wij faalden. We verloren er één, een van ons. En in de waanzin die volgde op hetgeen sommigen zien als een van de ergste dingen denkbaar, vroeg ik me af: Is een kind verliezen nu écht het einde van de wereld?

Het begon met iets waarvan ik vermoedde dat het griep was, het eindigde met mij in levensgevaar op de Intensive Care, met onze dode dochter naast mij in een wieg. Binnen enkele uren was ik van ‘niets aan de hand’ via ‘ik voel me niet zo lekker’ naar ‘kritiek’ gegaan en in die enkele uren was zij overleden. Toen wij eenmaal beseften dat er medische hulp nodig was, kon diezelfde medische hulp voor haar niets meer doen. Mijn placenta had los gelaten, een kans van 1 op 1000. ‘Dikke, dikke pech’, noemde de gynaecoloog het. Dat idee omarmden wij, want als het pech was, konden wij hier niets aan doen. ‘Overmacht’ knikte ik de eerste tijd glimlachend als de wereld ons huilend in de armen viel vanwege het vreselijk lot dat ons had getroffen. Ik werd ongemakkelijk van de pijn die voor mijn gevoel ons in de schoenen werd geschoven. Pijn die ik niet voelde. Nog niet.

Volgens landelijke cijfers over perinatale sterfte in Nederland zijn 809 kinderen foetaal (tijdens de zwangerschap) overleden in 2015, het jaar waarin ook onze dochter overleed. Deze cijfers hebben betrekking op een zwangerschapsduur van 22 weken en meer. 809 kinderen, 809 gezinnen die te maken krijgen met de zinderende pijn die hoort bij het verliezen van een kind.

‘Je kind tijdens de zwangerschap verliezen is een drama voor ouders’ vertelt Heleen de Jong, psycholoog gespecialiseerd in rouwverwerking voor ouders van overleden kinderen. ‘Bij de buitenwereld leeft vaak het idee dat het erger is als een kind al geboren is, dat het pas echt erg is als je kind sterft als het 3 is, of 13. Want dit kind was er nog niet eens, er zijn mensen die menen dat je dan gewoon even een nieuwe baby maakt. Maar ouders hebben hun leven al ingericht op dit kindje, in hun hoofd en hart is het al onderdeel van het gezin. Ik zie zowel ouders die een ongeboren kind verliezen als ouders die een ouder kind verliezen, en de pijn en het verdriet is in de basis hetzelfde: schrijnend en intens. Het zou de buitenwereld sieren om leed niet te classificeren.’

Naast de mensen die ons huilend in de armen vielen, stonden de mensen die zich hulden in stilzwijgen. Familieleden die geen gecondoleerd zeiden en met geen woord over onze baby spraken, vrienden die plotseling heel nodig weg moesten als wij arriveerden op een feestje, de buurman die na jaren van small talk in de voortuin ineens nooit meer tijd had om te kletsen. Wij werden op sommige plekken een paria, terwijl wij de omhelzing van de wereld nodig hadden. Want de pijn die eerst uitbleef, kwam later. Nadat de storm was gaan liggen was er ruimte en in die ruimte kwamen de uitersten van alle emoties voorbij. Hartverscheurend verdriet, allesoverheersend schuldgevoel, ijzige kalmte, schreeuwende radeloosheid, en alles wat daar tussen zit, ze wisselden elkaar in hoog tempo af. Wij zochten overal naar alles, naar een verklaring, naar een pleister op de wonde, naar iets dat enige betekenis zou kunnen geven aan ons verdriet. Wij gingen op te dure vakanties, wij wilden een hond en toen toch maar niet, wij wilden emigreren en ander werk en álles anders aanpakken maar waar wij ook zochten, wij vonden niets. Alles schoot tekort en drukte ons met onze neus op de feiten: als het gaat om rouw is er geen kortere weg te nemen. Wij wilden van de pijn af, maar het enige dat echt hielp was door de pijn heen gaan. Ik werd niet meer ongemakkelijk van leed dat ik niet voelde, ik werd ongemakkelijk van hoe hard mijn hart kon breken.

‘Rouw is heel grillig. Het komt en het gaat en hoe het gaat kan per dagdeel wezenlijk verschillen’ vertelt Heleen de Jong. ‘Dat kan lastig zijn voor de nabije omgeving, want wat nu helpt kan morgen een slecht idee zijn. Mijn advies aan mensen die te maken krijgen met ouders die een kind verliezen: blijf in contact. Dring je niet op, maar blijf beschikbaar. En vraag hoe het gaat, wees niet bang daarmee iets omhoog te halen. Geen ouder ter wereld vergeet dat zijn kind dood is, maar wel elke ouder heeft de wens dat zijn kind niet vergeten wordt. Door het bespreekbaar te maken, kom je tegemoet aan die behoefte.’

Voor ons is het meer dan twee jaar geleden dat onze dochter overleed. Zij is gecremeerd, haar as staat bij ons thuis en hoewel ze fysiek hier nooit is geweest hoort ze bij ons gezin. Sinds haar dood kennen we rauwe pijn, maar ook grootse liefde. We voelden en voelen ons gedragen door zij die naast ons staan. Soms huilen we, vaker lachen we, de blauwe plekken op onze ziel zullen nooit verdwijnen maar dat hoeft ook niet. Ze zijn van ons, net zoals zij van ons is. Was het verlies van een ongeboren kind verschrikkelijk, hels, traumatisch? Ja, zonder twijfel. Maar het einde van de wereld? Nee. Wat eindigde met haar dood was haar leven, niet dat van ons.

Vaderdag

Vaderschap is geen picknick. Soms wel, soms is het zo idyllisch als maar zijn kan. Dan is er serene rust, is iedereen volkomen begripvol en empathisch naar elkaar toe, en schijnt de zon terwijl er hutten worden gebouwd zonder dat iemand ook maar een splinter in zijn vinger krijgt. Dat is hoe we het graag […]

Twee jaar later.

Twee jaar geleden lag ik in een donkere kamer op de Intensive Care van het Erasmus MC weeen weg te puffen en me enorm op te winden over de gebrekkige kwaliteit van de mij toegediende pijnstilling, want ‘ik voel verdomme gewoon alles nog’. Ik kneep de hand van mijn echtgenoot blauw, ik vloekte meer dan me lief was, en halverwege de nacht die zou volgen werd er een meisje geboren. Sprookjesachtig mooi, met de neus van haar grote broer, tien vingertjes en tien teentjes, zo zacht en zo klein dat we er allemaal stil van werden. Net zo stil als zij was. Zij bleef voor altijd stil.

In die donkere kamer waren wij voor even allesoverheersend gelukkig. Want ze was van ons, voor altijd, en ze was zo geweldig. De dood is machtig, maar niet machtiger dan de trotse liefde van een verse ouder. We fluisterden met tranen in onze ogen dat ze zo goed gelukt was, kijk dat mondje dan, en die haartjes. Zonder zelfs haar ogen te openen, stortte ze zich met volle overtuiging ons leven in, ons hart in. Ze werd in ons warme midden geboren, en zal daar voor altijd zijn.

Het vieren van een feestje voor haar broer die vier wordt tegelijk met het verdriet om het zusje dat nooit twee mocht worden, maakt een kortsluiting in mijn hoofd en hart waar niets of niemand tegenop kan. Ik huil om iedereen die niet aan haar denkt, iedereen die niet snapt waarom het feestje van haar broer de moeilijkste dag van het jaar voor mij is, ik ben boos op iedereen die er niet is om mij te steunen want ik kan dit niet alleen. Ik drijf op de evenwichtigheid die mijn wederhelft laat zien, de enige ter wereld die snapt hoe het is om dit kind te verliezen.

In mijn hoofd is ze een peuter met blonde krullen en de neus van haar broer en huppelt ze schaterlachend door het leven. In de realiteit branden we morgen twee kaarsjes en zingen we een liedje. Een liedje voor het meisje dat voor altijd stil blijft.

T. W.

Zes jaar geleden begon zijn cognitieve achteruitgang. Het begon klein, zelfs onzichtbaar voor zij die ver van hem af stonden. Mensen die dichterbij stonden merkten het wel: hij kon zo vaak niet de juiste woorden vinden, werken werd ineens heel ingewikkeld, werkte hij niet gewoon te hard? Twee jaar na de eerste verschijnselen werd de diagnose Alzheimer gesteld. Er kwam hulp, hij ging naar dagbesteding, en zijn uitgebreide netwerk deed exact wat nodig is in zo een situatie: zij waren er. Zo vaak ze konden, in een elkaar afwisselend rooster. Hij voelde zich gedragen. Maar Alzheimer is nietsontziend, en zijn onvermogen zichzelf staande te houden groeide ook zijn liefdevolle familie boven het hoofd. Een maand geleden werd hij opgenomen, op de plek waar ik werk. Kleinschalig wonen, met een eigen kamer, geen enkele verplichting, en 24-uurs zorg van mensen die veel ervaring hebben met wat hem nu overkomt. Hij loopt dagen heen en weer, op zoek naar iets om handen dat zijn voortdurende piekeren onderbreekt. Zijn hoofd maakt overuren, en als hij al in staat is om het uit te spreken is hij niet bij machte het te stoppen. Meer dan eens beseft hij wat er met hem gaande is, de wanhoop in zijn ogen is hartverscheurend.

Zijn ziektebeeld is niet nieuw voor ons, het verdriet dat er bij hem en zijn familie is ook niet. Wij luisteren en verzorgen en sturen bij en kalmeren. Want dat is wat wij doen, dat is ons werk. En in stilte huilen wij met ze mee, om de keiharde mokerslag die het leven ze geeft. Zes jaar geleden begon zijn achteruitgang. Hij was toen 50.

Zorg voor je taal.

Ze was een van de betere collega's waar ik ooit mee werkte: zuster M. uit Amsterdam-Noord. Ze was kundig, geduldig, ontzettend warm, had hart voor de zaak, en stiekem was ik heel jaloers op haar moed om de meest complexe zorgvragers vol enthousiasme te benaderen. Ondanks al haar kwaliteiten ontbeerde ze een talent waar je in de zorg niet zonder kan: het vermogen taal onderdeel te laten worden van de zorg die je levert. Ze kon het niet van nature, gelukkig voor haar valt het wel te leren.

Taal is het middel waarmee wij met elkaar communiceren binnen de zorg, zowel in woord als in schrift. Wij rapporteren, mailen, overleggen, doen meerdere keren op een dag een overdracht, maar wat we het meest van al doen is gewoon praten. Met elkaar, over de zorgvragers. Hoe doe jij dit eigenlijk, hoe was ze vandaag, wat vind jij hier van, is ze bij jou ook altijd zo boos? En in ogenschijnlijk heel onschuldig bespreken wat jouw mening is over deze en gene kan een groot gevaar schuilen als je je niet bewust bent van hoe zwaar taal kan wegen en de verschillen die het kan maken.

Een van die gevaren is de self-fulfilling prophecy: als jij een zekere mevrouw die niet zo meegaand is als jij zou willen het label 'onrustig en agressief' geeft, werkt dat door. Het heeft invloed op hoe jij haar benadert, op hoe een ander haar benadert, en daarmee kan jouw mening over haar de zorg die zij ontvangt voorgoed veranderen. Met een open vizier een ander tegemoet treden is wat we wensen, in de realiteit zijn we allemaal gevoelig voor meningen van anderen, voor al wat we horen en zien, en worden er beelden in ons hoofd geïmplementeerd zonder dat we ons daar bewust van zijn. En dat kan resulteren in een benadering die niet past bij wat zij nodig heeft, jij ziet immers niet meer waar haar behoeftes liggen, met als gevolg boos en agressief gedrag. Zo werk jij in de hand dat zij gedrag gaat vertonen wat jij 'altijd al hebt gezien' en deze mevrouw zal zich niet meer los kunnen worstelen van het beeld dat van haar is ontstaan. Elke negatieve uiting van haar, zelfs zo klein als 'Ik wil niet hier zitten', zal in het licht van haar beeld worden gezien, soms met een toename van sederende medicatie en in extreme gevallen fixatie tot gevolg. 'Ze heeft enorme loopdrang, is wéér onrustig..' Zou jij niet onrustig worden als je je onvriendelijk behandeld voelde? Als je je onveilig en verdrietig voelde? Zou je niet weg willen lopen, op zoek naar ergens waar je wel gezien wordt?

Onze geliefde zuster M. schreef ooit een medicatiewijziging voorgeschreven door een arts zo onzorgvuldig in het dossier dat er medicatiefouten op de loer lagen. 'Meneer mag een oxycontin meer' schreef zij. Wat ze had willen schrijven was 'Meneer mag geen oxycontin meer'. (En wat ze had moeten schrijven was natuurlijk 'P/o arts stop oxycontin'.) De onzorgvuldigheid werd snel hersteld door een oplettende collega, maar het onderschrijft wel het belang van voorzichtig zijn met je woorden: wat wil je precies zeggen, en is je boodschap helder genoeg voor de ander? Heb je wel genoeg tijd besteed aan jouw boodschap?

Ook zijn er de ondermijnende woorden, die (soms goedbedoeld, meestal ronduit bot) altijd een weerslag hebben op degene die zorg ontvangt. Het feit dat de ander zich in een kwetsbare positie bevindt is des te meer reden om je woorden af te wegen, om je best te doen om het verschil in macht tussen jullie te verkleinen en de ander meer in zijn kracht te laten staan. Zou jij je gesteund voelen tijdens je bevalling als de gynaecoloog roept dat het 'op deze manier nooit gaat lukken' terwijl jij keihard je best doet? Of dat jouw kindje 'het niet meer naar haar zin heeft in jouw buik'? Heb je niet juist dan aanmoediging nodig, iemand die naast je staat en in je gelooft, en als het zo ver komt dat er sprake is van foetale nood exact dat benoemt, zonder waarde-oordeel, en met jou overlegt over de verdere stappen zodat jij enige regie houdt over jouw bevalling, over jouw verhaal? Ooit vroeg ik een arts of ik alsjeblieft een meting – die onderdeel van het te volgen protocol was, maar mij enorm tegen stond – mocht overslaan. Het was een tijd waarin iedereen om mij heen grootse besluiten nam over mijn lichaam, ik voelde me intens kwetsbaar, en deze arts zei: 'Natuurlijk. Jij bent nog steeds de baas.' Niet alleen had hij gelijk, ook wist hij precies wat hij moest zeggen op welk moment. Wat hij daar zei, draag ik nog steeds met me mee. Ik koester zijn woorden.

Woorden zijn veel meer dan een communicatiemiddel. Ze kunnen verbinden en verscheuren, kwetsen en helen, ontroeren en vermurwen. Iedereen heeft een verhaal. Elk mens dat van jou afhankelijk raakt, om wat voor reden dan ook, heeft een verhaal. Het is niet aan ons dat te herschrijven, slechts om op gepaste afstand dat verhaal te respecteren en in ere te houden. Your words matter, choose them carefully.